Middelen van bestaan
in het oude
Mesopotamië


Koetje melken
* vee - vlees - wol - pluimvee - zuivel - vet - kaas- vis - olie - sesam - vlas & lijnolie - graan - brood - gerst - peulvruchten - ploeg - trek-& lastdieren - onager - ezel - paard - dadels - groenten - honing - was - bier - wijn *

De veestapel omvatte, in volgorde van belang en omvang, schapen, geiten [te zamen het ‘kleinvee’ vormend], runderen en -zeker in de dorpen- een weinig varkens. Al deze dieren leverden vlees, in de oudheid een luxe-voedsel. Het kleinvee werd hoofdzakelijk gehouden voor de wolproduktie; een verscheidenheid van schapenrassen bracht een navenant aantal wolkwaliteiten voort. Wol was dan ook de grondstof bij uitstek van de geavanceerde textielnijverheid, waarin het dure linnen van minder belang was. [Overigens werd in de oudheid de gesponnen wol altijd tot stoffen gewéven; de techniek van het breien is van veel later tijd en stamt van de Aziatische steppebewoners, in wier trekkend bestaan het weefgetouw slecht past.]
Behalve vlees leverde het rundvee tal van bijprodukten, zoals lederwaren en beenderlijm. Pluimvee arriveert pas in de Perzische tijd; wel hield men reeds ganzen en eenden.


Ofschoon bij lange niet zo grootschalig en gespecialiseerd als bij ons, was de zuivelbereiding een essentiële tak van veeteelt; haar produkten, waaronder de prominente boter -in de vorm van een semi-vloeibare ‘boterstroop’-, golden als kostelijke spijs. Behalve als vast bestanddeel van de offermaaltijden voor de goden, figureren melk, melkvet en boter voornamelijk als ingrediënten voor uiteenlopende etenswaren, alsmede in doktersrecepten, met zowel in- als uitwendige toepassingen. Een houdbaarder én goedkoper zuivelprodukt was de harde kaas, een ingedroogd mengsel van een soort yoghurt en meel, waar geen stremsel aan te pas kwam en waarvan het schaafsel na weking te nuttigen was. Dierlijk vet werd o.m. aangewend als smeer- en lampenolie. Een wezenlijke en algemener bron van dierlijk eiwit vormde de profijtelijke vangst van rivier- en zeevis en ander watergewemelte als kreeften en schildpadden, inclusief  hun eieren.

De spijsolie was plantaardig en werd gewonnen uit sesamzaad; dit belangrijke cultuurgewas werd speciaal ter wille van die oliewinning verbouwd, ná de graanoogst en goeddeels op dezelfde akkers, met de zaaitijd in de voor- en de oogsttijd in de hoogzomer. Hoewel de sesamteelt pas kort vóór het midden van het 3e millennium in Mesopotamië zal zijn ingevoerd, waarschijnlijk uit Indische contreien, is de sesam een typisch kenmerk van de landbouw in dit deel van de Oude Wereld  geworden; in het Mediterrane gebied was het de olijf  die een zelfde spilfunctie vervulde. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de naam sesam via het Griekse sesamon teruggaat op het Akkadische šamaššammu, hetgeen  zoveel wil zeggen als ‘olieplant’.
[Onduidelijk is intussen wel, in hoeverre achter deze term niet de eigenlijke sesamplant en zijn olie, maar olierijke vlasvariëteiten en hun lijnolie schuilgaan; de winning van lijnolie uit vlas werd gepraktiseerd, maar dit gewas lijkt toch vooral met het oog op zijn vezels verbouwd te zijn geweest, voor de fabricage van garens, touw en linnen.]

Onbetwist landbouwprodukt nummer één waren de granen, voor het overgrote deel gerst, het stapelvoedsel bij uitstek, aangevuld met wat tarwe; in het verziltingsgevoelige zuiden had de gerst vrijwel het monopolie op verbouw dankzij zijn hogere zouttolerantie. Gegeten werden de granen vaak in de vorm van pap en brij, moeilijk verteerbaar, maar gemakkelijk te bereiden. Brood werd gemaakt volgens een tweetal procédés. Het met behulp van zuurgist gerezen brood gold als de luxere variant; het werd uit deeg in een oven gebakken. De eenvoudiger soort was de platte en [flinter]dunne, ongezuurde broodvlaai, waar geen rijsmiddel aan te pas kwam, welke in een zeker aantal binnen luttele minuten op een hete steen te bereiden was uit meelbeslag. Schooljongens kregen van hun moeder geen stapeltje boterhammen mee, maar een rol broodvlaaien. Gerst vormde zozeer de kurk waar de economie op dreef, dat het als reëel of nominaal betaalmiddel en ijkpunt van de wisselkoers kon fungeren, naast en in plaats van zilver; gerst en zilver [niet in de vorm van munten] constitueren samen het Mesopotamische geld. Opmerkelijk constant blijft de tegenwaarde van 1 sikkel zilver gesteld op 1 gur gerst

Verder leverde de akkerbouw een verscheidenheid van peulvruchten, m.n. linzen en kekers, die een belangrijk deel van de eiwitbehoeften zullen hebben gedekt; culinair werden ze veelal in meelvorm verwerkt of als ingrediënt in een brij genuttigd. In de luxer toepassing als veevoeders vonden granen en peulvruchten hun weg naar het intensief gehouden mestvee. Het ploegen had eerstens tot doel de akkergrond te scheuren met het oog op de zaaiing; [de kerende ploeg die de grond omwerkt is een vroegmiddeleeuwse vinding]. Zo nodig werd het zaaibed verder geprepareerd door het te eggen. Het zaaizaad werd in de verse ploegvore  gestrooid, welke daartoe in een aparte ploeging getrokken was.  Het ontwerp van de zaadploeg stelde de boer in staat het trekken van de zaaivore en de inzaaiing in één gecombineerde bewerking uit te voeren, doordat dit werktuig voorzien was van een trechter vanuit welke het zaaigoed  via de holle ploegschaar in de vore kon worden gebracht.

In het boerenbedrijf was het rund, m.n. de os, een onmisbaar landbouwhuisdier wegens zijn gebruik als ploeg-, trek-, en lastdier. Een hardnekkig misverstand wil dat ook de onager, de westelijke ondersoort van de wilde of  halfezel, deze rol vervulde. De onager [Equus hemionus onager] is echter ten enen male te wild voor domesticatie; wel laat hij zich bejagen. Het skeletmateriaal van dit dier dat in verscheidene nederzettingen is getraceerd moet dan ook geïnterpreteerd worden als slachtafval van de jachtbuit. In het oog van de bioloog kunnen de zogenaamde onagers van de kunsthistoricus even goed de gewone ezel [Equus asinus] voorstellen. Anderzijds kan de praktijk hebben bestaan dat de fokkers hun ezels soms met de onager kruisten. Het paard [Equus cabalus] ten slotte verschijnt pas in de tweede helft van het tweede millennium in een rol van enige betekenis ten tonele, in Noord-Mesopotamië, als onderdeel van de oorlogsmachinerie en aan het hof voor jacht en sport, aangespannen voor de strijd- en renwagen.

Een spilfunctie in de Zuid-Mesopotamische economie vervulde de dadelpalm. Deze boomsoort is hier inheems en gedijt dankzij zijn hoge zoutresistentie prima onder de heersende condities van brak oppervlakte- en verzilt grondwater. Zijn cultivering is wel zo oud als de beschaving zelf. De tweehuizige boom werd aangeplant in dikwijls uitgestrekte gaarden, met slechts een enkele mannelijke op talrijke vrouwelijke exemplaren; de bestuiving geschiedde kunstmatig, met de hand, door de gaardenier. Niet alleen de vruchten, maar werkelijk alles van deze boom werd benut en tot allerlei produkten en doeleinden verwerkt. De beschaduwde bodem tussen de dadelpalmen leende zich bij uitstek voor de groententeelt, welke tientallen gewassen omvatte. Van belang voor het dagelijks voedsel waren vooral ui, knoflook en prei. Smaakmakers om het eentonige eten pit te geven waren er talrijke; zeer populeir was de waterkers, die op de manier van mosterd aangewend werd.

Bij ontstentenis van een structurele bijenteelt, m.n. in het zuiden, zal met de zogeheten 'honing', die talloze bronnen vermelden als ingrediënt van o.a. bier, koekgebak en tal van andere spijzen, de siroop bedoeld zijn welke uit de verse dadels gewonnen werd. Wel was men vertrouwd met een ander imkerijprodukt, de bijenwas, die in niet geringe hoeveelheden moet zijn geïmporteerd. Zeker vanaf  2000 werd was op ruime schaal aangewend als schrijfmateriaal, gestreken op een houten, soms ivoren of benen plankje. Zo'n schrijfplankje wordt wastafeltje genoemd. Het werd niet alleen gebruikt voor tijdelijke en kortstondige notities, zoals bij ons vroeger de lei, maar ook om teksten van een duurzamer type vast te leggen, niet zelden voor langere tijd.

De alcoholische drank die algemeen werd gedronken was bier, dat in een scala van soorten en kwaliteiten, al naar gelang van de velerlei toevoegingen, gebrouwen werd. Zijn basisingrediënt was gemoute gerst. Gedroogd en vermengd met een speciaal soort aangezuurd brood leverde die een goed te bewaren en te verhandelen grondstof, waarmee men naar behoefte bier bereiden kon. De frequent toegevoegde dadels en honing moesten niet alleen de smaak veraangenamen; ze bevorderden ok het fermentatieproces. Het bier moet laagalcoholisch, doch hoogcalorisch zijn geweest.
Wijn gold als luxe en zijn beschikbaarheid berustte goeddeels op import; pas in het Assyrië van het eerste millennium schijnt de inheemse wijnbouw op enige schaal van betekenis beoefend te zijn geweest.

© 2004, Edubba Genizaque Trajectina

Henry A.I. Stadhouders